Genieten

Eerder vandaag liep ik een rondje in het bos met onze honden. Dit keer besloot ik mijn telefoon thuis te laten en simpelweg te kuierlatten in het bos. Volgens het nieuwste boek – Geluk is D.O.M. – van Patrick van Hees is dat een oplaadpunt.

Ik deed mijn gebruikelijke rondje en kwam halverwege een kittige Retriever tegen met daarachter een ietwat corpulente man. We kwamen aan de praat. (Met een hond in het bos betekent sociaal contact succes verzekerd, maar meestal onttrek ik me daaraan door driftig getik op mijn smartphone).

De vriendelijk ogende man met studentikoos rond brilletje op de snoet vertelde mij dat hij zo’n vier keer per week de hond van zijn dochter mee uit wandelen neemt. Hij doet dan hetzelfde rondje als ik in het enige bos waar de honden nog los mogen. Hij voelde zich een bevoorrecht mens dat hij mocht genieten van de natuur, een plotseling overstekend reetje, de zon, een wegspringend konijn (ons beider honden zijn van het jachtige soort, dus er springt nogal eens een konijn weg).

Twaalf jaar geleden overleed zijn vrouw plotseling zonder enige aanleiding. Zij is de enige vrouw waar hij ooit van gehouden heeft. Over haar vertellen ontroert hem nog steeds, zag ik. Die gebeurtenis bracht hem het inzicht dat je vooral genieten moet in het leven. Niet iedereen is het gegeven om tachtig of negentig te worden. Dus ging hij met pre pensioen ondanks dat hij zich daar nog veel te jong voor voelde en van zijn werk hield.

Tot op de dag van vandaag heeft hij van die keuze geen spijt. Hij houdt van reizen en nam zich destijds voor alleen nog dingen te doen die hij leuk vindt. Zo gaat hij volgende week wandelen in Thüringen en in december snorkelen in Egypte. ‘Sommige mensen vinden het egoïstisch als je aan jezelf denkt, maar ik vind dat van niet. Het is belangrijk om te genieten van het leven. Er is zo veel moois te zien. Ook als er iets vreselijks is gebeurd zoals de dood van je geliefde. Je moet er daarvoor wel op uit, dat moois pakken en het willen zien.’

Na dit genoeglijk gesprekje zwaaiden we elkaar uit. De man liep het pad af en sloeg de hoek om. Ik liep met mijn twee viervoeters richting auto, op weg naar huis, het werk riep. Voordat ik de auto startte, keek ik rond, een laatste straal van de zon op mijn gezicht. Wat een prachtig bos zo vlak bij mijn huis en wat een lieve man. Thuis aangekomen besloot ik het werk nog even te laten liggen en dit blogje te typen. Van schrijven word ik blij tenslotte. Vanmorgen stond ik moe op en zag op tegen een drukke werkdag. Van die moeheid is niets meer over. Ik voel me energiek door het rondje bos, het onverwachte gesprek en de letters op papier. Patrick van Hees noemt het Oplaadpunt. Ik noem het Genieten met hoofdletter G.

De duivel is monddood

Deze zomer gaat het er eindelijk van komen. Nee, ik ga geen ultieme poging doen alsnog strak in bikini over de Griekse boulevard te kunnen flaneren. Ik maak ook zeker geen wereldreis zodat ik de plaatsen op mijn bucketlist kan afvinken. Deze zomer maak ik mijn boek af. De stokken achter de deur zijn te talrijk en niet langer te negeren. Stokken die ik zelf gecreëerd overigens. Ik heb de literair agent een mail gestuurd dat het manuscript van Bonuszoon echt bijna onderweg is; met de redacteur heb ik een datum afgesproken wanneer zij het tweede deel langs haar deskundige ogen voorbij kan laten glijden en ik heb Marelle Boersma beloofd dat ik op 1 november a.s. als debutant  mijn ervaringen ga vertellen op de uitgeversdag. Spannend en een hele eer overigens!

Ik heb dus een deadline want belofte maakt schuld. Ik voel de druk en dat is helemaal niet erg. Schrijven is tenslotte het liefste dat ik doe. Waarom komt het dan te vaak onderaan de prioriteitenlijst? Natuurlijk, ik heb tal van legitieme redenen waarom ik de eerdere deadline van afgelopen voorjaar niet heb gehaald. Een aantal heftige live events zorgden dat de tijd te kort was en het hoofd te vol. Maar is dat de werkelijke reden? Is er geen andere verklaring die misschien een grotere oorzaak is van de vertraging?

Mijn duiveltje speelde de afgelopen tijd een voorname rol op het schrijverstoneel. Dat verdraaide stemmetje in mijn achterhoofd dat zachtjes, doch net hard genoeg, haar neerbuigende kritieken lispelt die vervolgens als harde paukslagen doordreunen in mijn brein. ‘Weet je nu wel zeker dat het goed genoeg is? Er zitten aardige stukjes bij maar welk een hoogmoed te denken dat het boekwaardig is!’

Ik heb de lat hoog gelegd voor mezelf. Het moet goed en zelfs dat is niet goed genoeg. Mijn duiveltje wrijft zich van plezier in haar handen als ik die lat weer eens oppoets terwijl ik dreig de delete-knop te lang in te drukken.

Vanochtend heb ik haar knock out geslagen. Ze ligt met afgebroken tanden bewusteloos in de hoek. Voorlopig zeurt ze niet. Het is tijd voor de grande finale. In mijn hoofd heb ik die al talrijke keren afgespeeld. Ik kruip terug in mijn personages. Lauren, die dacht dat ze alles op de rit had totdat het noodlot toesloeg. Heeft ze dat niet zelf veroorzaakt? En welke rol speelt Ellen? Kiest zij de kant van het slachtoffer of de dader? Ik weet het en binnenkort weten jullie het ook. Als de laatste pagina van Bonuszoon is uitgelezen.

 

Brilletje

Ken je ze ook? Van die volwassen mannen met vergane sportambities mismoedig sjokkend achter hun vrouw op zaterdagmiddag in de stad? In een glimmend blauw wit gestreept voetbalshirt, iets te strak gespannen over het uitdijend fysiek, in grote letters hun idool geprint op de rug. Of van die voorbij zoefende fiets-amateurs op zondag in het enige sporttenue waarop het Rabobank logo nog trots gedragen wordt. Ik word er altijd een beetje lacherig van. Recalcitrant ook. Dus die enkele keer dat ik me in een sportschool begeef ga ik demonstratief in de grootste afgewassen joggingbroek die ik in de kast kan vinden en negeer de medelijdende blikken van de in de hipste sportkleding gestoken spierbundels.

Ik kan genieten van de aanblik op professionele sporters waar lijf en outfit in balans zijn als het gaat om strakheid. Hobbyisten in sporttricot worden al snel een beetje gênant. Daarom verberg ik me achter een handdoek als ik in mijn Speedo-badpak – mijn zomerbikini kan echt niet – het zwembad betreedt. Een maatje groter gekocht, want hemel laat het alsjeblieft niet te strak zitten. Geen tenencheck voor mij of het water een aangename temperatuur heeft. Gelijk erin zodat het Barbapapa-beeld gauw onttrokken is aan het zicht van de overige aanwezigen.

De eerste baantjes vallen tegen. Ik vind het koud en de spieren zijn stram. Vast mijn straf omdat ik weken heb gespijbeld. Wat zei de zweminstructeur ook al weer bij de laatste clinic? Vanaf maart minstens twee maal per week trainen en per april verhogen naar drie keer om het ijskoude water van de Amsterdamse grachten soepel te kunnen doorklieven. Ontmoedigd hang ik aan het startblok maar geef me dan een denkbeeldige schop onder kont. Ik laat me toch niet kennen? Ik zet af, hervat met onverschrokken enthousiasme de schoolslag en trek me niks aan van de bebrilde borstcrawl-types die me links en rechts voorbij schieten. Mijn ergernis over de stroom aan waterdruppels die deze onbekende chaperonnes op mijn gezicht achterlaten geven nog een extra push en 45 minuten later zijn de 60 baantjes in the pocket.

Ik heb 1.5 kilometer gezwommen en ben trots. Totdat ik in de spiegel kijk. Mijn bloed doorlopen chloorogen kijken me meewarig aan. ‘Je wordt er niet mooier op, schone zwemster!’

Met frisse tegenzin loop ik naar het winkeltje in het zwembad en schaf een Speedo-brilletje aan in fluoriserend blauw. Met ietwat rode konen reken ik af. Nu ben ik ook zo’n sneue amateur in een veel te professionele outfit. De gedachten aan de waterdruppels overtuigen me alsnog van de goede beslissing. Straks in de Amsterdamse grachten zijn de druppels voorzien van bacteriën, uitwerpselen van ratten, mensen en meer ellende die ik niet weten wil. Dus mijn brilletje gaat voortaan op. Nu nog regelen dat ik een sponsor vind voor de overige 35 brilletjes voor mijn collega-zwemmers. Wie biedt zich aan? http://www.swimfortim.nl

Soep is goed

Deze middag start met een helder moment. Resoluut sluit ik met het autoportier de waterkou buiten en spoed me richting de supermarkt. Niet veel later belanden boerensoepgroente, laurier, gehakt en twee stuks schenkel zonder aarzelen in mijn kar. Ik hoef over de boodschappenlijst niet na te denken. Mijn gedachten dwalen af naar mijn moeder die een kind verloor nog voordat ze ervan mocht gaan houden. Het recept kreeg ik met vele soeplepels ingegoten en sindsdien maak ik op gezette tijden haar fameuze groentesoep.

Denken aan haar doe ik geregeld maar niet vaak schieten mijn herinneringen naar dat cruciale moment in haar leven. In alle negenendertig jaren van ons gezamenlijk bestaan hebben we het nooit over haar grootste nachtmerrie gehad. Bijzonder eigenlijk. Is de reden simpel omdat een moeder van nature het kwaad bij haar kinderen weg wil houden?
Wat doe je dan als dat niet lukt en je geconfronteerd wordt met de breekbaarheid van het leven? Ik had haar tips zo graag geweten. Nu meer dan ooit.

Thuis orden ik de ingrediënten op het aanrecht en kort daarna onttrekt het kokende water de vleessappen uit het soepbeen. De honden verlaten vrijwillig hun slaapplek voor de kachel als de eerste bouillondampen de haardvuurgeuren overtreffen. Ze kwispelen naar hartelust en smeken me vol overgave naar de keuken.
Daar pieker ik de soepballen in het rond en zout ze met tranen van onmacht. Ik til de deksel van de pan en de ruimte vult zich met het helend aroma. Nostalgie vermengt zich met het heden. Vandaag wordt er veel gezwegen en meer gezegd door ogen die het even niet weten.

Twee viervoeters met een vette bek zorgen intussen voor een vrolijke noot als ze na het vakkundig afkluiven van het bot om een toetje likkebaarden. We gooien het zoveelste houtblok in de haard en het vuur laait op met nieuw elan. De studieboeken worden dapper opnieuw gepakt; een keer moet het toch lukken. Ik besef dat op dit moment een kanjer op het koude sportveld haar met een goal goede moed wil wensen.
Troostrijk zijn de lieve mensen die haar helpen de klus te klaren. Ze zegeviert, dat weet ik zeker al duurt dat helaas een tijdje. De vlag mag nog niet uit maar tot dat ogenblik schenken we gewoon bij tijd en wijle een soepkom vol. Want soep is goed.

Agenda

Al sinds ik mijn eerste exemplaar voor school mocht kopen, schep ik er elk jaar weer een kinderlijk genoegen in. Het formaat, de kleur, inhoud, stijl, hoeveel dagen op een pagina; alle varianten passeren mijn keurend oog totdat ik de juiste met licht verhoogde hartslag bij de kassa afreken. Mijn jaarlijkse keuze lijkt in eerste instantie gebaseerd op zakelijke motieven maar is feitelijk volslagen irrationeel en met emotie doorspekt. Zo heb ik veel te dure, leder ingebonden exemplaren die dermate zwaar wegen dat halverwege het jaar de hengsels van mijn tas volledig zijn ontwricht tot back to basic modellen die na gebruik als treurige muurbloempjes achter in de kast zijn gesmeten.

In dit digitale tijdperk word ik regelmatig vreemd aangekeken als ik de mijne op tafel leg. Ik heb het allemaal; smartphone, ipad, laptops in diverse maten maar ik zweer bij mijn papieren agenda. Een digitale kalender is aan mij niet besteed; elke goedbedoelde poging daartoe van mijn omgeving – het is zo lekker praktisch – vermijd ik als klassieke muziek op zondag. Een agenda wil ik ruiken, voelen, aanraken, terug bladeren, wegschuiven en vooruit plannen. Een agenda is in mijn ogen een metafoor voor het leven, een landingsbaan voor geschreven gedachten, een afschrift van gedane acties. Het is een testament van een jaar vol avonturen en momenten van stilte, diepte- en hoogtepunten en goede – vaak ridicule – voornemens die ik inmiddels lachend hebt weggewuifd.

Mijn agenda voor 2015 is zo’n standaard exemplaar zonder opsmuk. Kennelijk had ik eind vorig jaar behoefte aan een rustig kabbelend jaar zonder al te veel gedoe. De volgeschreven pagina’s en gebutste hoeken tonen het tegendeel. Het was een jaar van ongekend succes, euforie, opluchting en blijdschap. Het was ook een jaar waarin ik harder heb gewerkt dan ik ooit heb gedaan; een jaar waar ik dieper ben gekwetst dan mijn hart groot is en een jaar waarin datzelfde hart verwarmd is door alle vriendschap en liefde om ons heen. Een jaar waarin loslaten wederom mijn slechtste eigenschap is gebleken. Een jaar met een venijnig staartje waar grote zorgen en optimisme met elkaar de strijd aangaan.

Zoals een van mijn dochters wel eens zegt: “Bij ons kan het nooit eens normaal.” Nee kennelijk niet, daarom ga ik vandaag op zoek naar de meest extravagante agenda die ik kan vinden. 2016 moet een jaar worden van hoop, gezondheid, onvoorwaardelijke liefde, vriendschap en exorbitant plezier. Ik kan niet wachten om mijn naam in de onbeschreven pagina’s van deze nieuwe episode te schrijven. Ik heb mijn mooiste pen al klaar gelegd.

Regie

IJsbrand stond aan het hoofd van een gezin waar de wens om een dochter vijf zonen had opgeleverd en de maand standaard een week gebrek aan inkomen overhield. IJsbrand was handelsreiziger in zemen lappen. Vermoedelijk de enige in Nederland die zijn handel verkocht zonder in bezit te zijn van een rijbewijs. Opa Ies, aldus zijn koosnaam, reisde per trein.
In het gezin stak zijn vrouw regelmatig de draak met hem, maar daar buiten was hij de spil waar alles om draaide. Op Charlois was zijn bovenwoning het toneel voor vele samenkomsten van familie en de buurt. Toen hij na zijn pensionering met mijn oma een seniorenwoning in Amersfoort betrok werd hij vanzelfsprekend de coördinator van de gloednieuwe wijk. In het aanpalende bejaardenhuis organiseerde hij biljartcompetities voor de ingedutte oudjes. Hij overleefde mijn oma en toen zijn benen te stram voelden trok meneer Kalkman definitief in het huis der wijzen. Keu werd ingeruild voor schilderkwast en vanuit zijn rolstoel toonde hij fier zijn kunstwerkjes aan het verzorgend personeel.

Zijn doeken werden kleiner, de schildersvegen vager. De monologen van de man op zijn praatstoel verstomden en het werd stil om hem heen. Hij verhuisde naar het verpleeghuis en zijn bezit minimaliseerde tot een bed en een bescheiden ladekast voor de herinneringen die per dag inkrompen. Bij elk bezoek zag ik dat de oude baas een beetje meer was verschrompeld. De energie was eruit.

Tot die ene keer. In zijn demente verwardheid waande hij zich terug in de tijd. Er moest geld verdiend worden. Vanuit de gesloten afdeling, waar zogenaamd niemand ongezien weg kon, reed mijn opa in zijn hemdsmouwen het frisse herfstweer tegemoet. De rolstoelwielen liepen al snel vast in de drassige berm langs de snelweg en vastgezogen in de modder werd hij gevonden door een chauffeur van een bestelbusje. Rolstoel achterin en opa op de voorstoel. Op weg naar adres onbekend. Inmiddels was zijn afwezigheid opgemerkt en zo kwam hij hoog bejaard zelfs op de telex van de politie.

Ondertussen liet mijn opa het zich goed smaken bij de chauffeur thuis en na twee flinke borden en een paar jonge borrels wist hij zich zijn woonadres feilloos te herinneren. Breed lachend zwaaide hij de opgetrommelde familie bij terugkomst toe. Hij zweeg toen het verplegend personeel hem tussen de wit gesteven lakens stopte tot hij mij, zijn kleindochter, in het vizier kreeg. Iedereen moest de kamer uit en hij vertelde me zijn avontuur. Met twinkelende ogen en een glashelder geheugen. Twee dagen later was mijn opa dood. We waren verdrietig met een glimlach. Op het laatst had hij de regie over zijn leven toch weer terug gepakt.

Wasbordje

‘Vrouwen hebben nu eenmaal vet op de heupen.’ Die uitspraak behoort toe aan een diëtiste die in het voorjaar door het RTL nieuws werd geïnterviewd over de sport rage die onder mannen en vrouwen woedt in hun strijd om hun buik te vervormen tot een sixpack. Terwijl ik me door de tweeduizend foto’s van onze roadtrip worstel, schiet die uitspraak ineens door mijn hoofd. Het moment van herinnering is niet geheel toevallig. Op het beeldscherm staat mijn beeltenis vanaf de achterzijde geportretteerd. De beige strandjurk in het midden van de foto laat ongegeneerd alle welvingen zien. Vet op de heupen? Het lijkt een heuse boterfabriek.

Verderop de foto ontwaar ik de lange benen van mijn adolescenten. Zelf klagen ze af en toe over een pondje te veel, maar mijn hemel wat geniet ik van de aanblik op hun lijven. Ik ben er op een gezonde manier jaloers op. Zeker als ik de staat van mijn eigen gestel analyseer. Sinds deze zomer ben ik 51 maar zo voel ik me vaker niet dan wel. Vermoedelijk is mijn brein gestopt met tellen rond het 35e levensjaar. De foto voor me openbaart echter overduidelijk een stuitende bekentenis; mijn lijf is helaas wel doorgereisd in de tijd. Als mijn ogen over de deuken en butsen van mijn lichaam glijden, word ik misselijk door de deining. Er is geen ontkomen meer aan; ik ben definitief in de categorie van de wijze jaren beland.
Goede sportvoornemens dringen zich aan me op al weet ik dat deze niet lang genoeg zullen voortduren om het verval te keren. Er zit niets anders op. Ik moet me er toch een beetje bij neerleggen al is mijn ijdelheid koppig genoeg om het betreffende kiekje te verbannen uit het fotoboek.

De volgende rij foto’s schuift voorbij. Prachtig natuurspektakel wordt afgewisseld door een gekke-bekken-show. En daar ben ik weer; wilde haardos, onopgemaakt….na een paar weken stoffig Arizona zie je er niet echt gestileerd meer uit. Maar ik heb plezier en dat is aan mijn hele hoofd te zien. Met een kittig genoegen constateer ik plots dat ik toch een wasbordje heb. Prominent nog wel en voor iedereen te zien. Frontaal op mijn voorhoofd en ach…..het staat wel koddig. Dus aan mijn hoofd geen botoxspuiten. Je ziet tenminste dat ik leef.

Er poept een vogel op mijn kop

Een kluizenaar; dat wil ik zijn de komende week. Ik zie het helemaal zitten. Mijn Apple, mijn favoriete Griekse kaas op toast als enig en aangenaam gezelschap. Back to basic met een luxe randje. Dat dan weer wel, want natuurlijk ben ik dankbaar dat mijn Nederlands-Griekse kennis (die van die auto’s weet u wel) het huis weer tiptop heeft verzorgd met schoongewassen handdoeken en een vloer om kaviaar vanaf te likken.

Met een glimlach en een knuffel wenst hij mij een fijne week en trekt de deur achter zich in het slot. Met de luiken nog dicht valt de woonkamer in een schaduw. Maakt twijfel zich van mij meester?
Ik schud mijn haar naar achter, pak mijn spullen uit en sjok het dorp in. Vandaag neem ik nog even vrij. Ik heb tenslotte de hele nacht niet geslapen. Ik tuur vergenoegd vanaf mijn rieten stoel over het spiegelgladde water en voel dit als een zegen in mijn overigens hectische bestaan.

De dag vloeit langzaam over in het eind met half zon half slaap op het dakterras. De volgende ochtend over tienen verlaat ik als herboren het bed.
Na een kop ochtendthee raken mijn vingers ongeconcentreerd het toetsenbord en dwalen mijn gedachten af naar Stella en haar keuken. Om uren later met volle maag en licht beneveld hoofd wederom een uiltje te knappen in mijn hangmat.
De avond zet ik in met DVD van de Verleiders en denk ik na over de uitgeverskans en het nog te schrijven non fictie boek. Brainstormen met jezelf is ook werken toch?

Dag drie begint vroeg. Het schemert nog. In de verte scheurt een brommer. Voor de rest nog geen gegil op straat; Pythagorio is in ruste. Ik knip het bedlampje aan en lees een half boek. Als schrijver moet je veel lezen.
De Griekse yoghurt verplaats ik naar de lunch en geen rosé voor mij vandaag. Ik heb namelijk een schrijversplan.
Vol ijver richt ik mijn schrijverstafel in; aantekeningen, notitieboekjes, pen, papier; ik klik de laptop open. Ik zucht en peins, het verhaal komt moeilijk op gang. Wie zei dat ik schrijven kon? De maag knort en leidt mij richting boulevard. Een snelle hap en dan weer gauw naar binnen.

Of stiekem toch nog even de trap op? Een nieuw boek, wat kan het schelen. Ik lees en blader; het boeit niet echt. Ik soes weg in de koelte van een wolk en flats; een dikke druppel op mijn voorhoofd. Regen? Seconden later dringt pas door dat het bij die ene druppel blijft en grijp ik daar waar het nat is geland. Een witte sliert gelardeerd met zwarte puntjes siert mijn vingertoppen. Het vrolijk gekwetter klinkt als hoongelach.

Yiamotimanosou! Het lang vergeten scheldwoord spuugt net niet hard genoeg tegen haar veren. Vanaf de krom gebogen antenne van buurman Lutz kijkt ze geringschattend op mij neer. Ik poep op jou halfbakken kunstenaar. Wat lig je daar nu te braden? Je had een missie weet je nog wel?

Betrapt hobbel ik op een drafje naar beneden. Tweeduizend woorden op z’n minst in razend tempo; om de schade in te halen.

Madurodam van Europa

Ime sto spiti. In mijn povere pogingen om op de Open Universiteit Grieks te leren zijn dat de drie woorden die sindsdien vloeiend mijn mond uit rollen. Dat is niet zo gek. Ze betekenen: Ik ben thuis. En zo voelt het als ik na een natte winterslaap de vliegtuigtrap afdaal. Ik hoor de krekels en ruik de geur van gele brem. De mediterrane rust komt als een glimlach mijn leven binnen.

Een kennis is zo lief om mij van het vliegveld af te halen en naar huis te brengen. Er zijn nog weinig toeristen maar het dorp bruist van bedrijvigheid. Luiken worden geschilderd en nieuwe lantaarnpalen worden gemonteerd. Er zijn ook weer nieuwe winkeltjes geopend.
Mijn kennis verhaalt trots over zijn investering. 10 nieuwe auto’s erbij voor zijn verhuurbedrijf. En alles is al volgeboekt voor het seizoen. De komende twee jaar verdient hij geen droog brood want de eisen van de bank zijn moordend. Met respect luister ik naar de uitdagingen van deze ondernemer. In Nederland hadden we moord en brand geschreeuwd.

Mijn gedachten dwalen af naar de Nederlandse media en het traditioneel opgeheven vingertje. Over Grexit en het mogelijke Griekse faillissement; het betweterige gezicht van Dijsselbloem die zelf stiekem met een flukse pennenstreek de exorbitante salarisverhoging van de banken-CEO’s heeft goedgekeurd en dat vervolgens glashard ontkent.

Als vrouw in de wereld van het geld snap ik helemaal niet wat het faillissement van een land betekent. Komt er dan een Europese curator in zo’n strak gesteven pak de inboedel verpatsen? Is de haven van Samos straks in handen van de Russen? Is mijn mooie eiland straks vergeven van stoplichten en rotondes? En lopen de Griekse schoolschoffies het volgend schooljaar in degelijk Engels schooluniform?

Genietend van een Griekse lunch houden deze gedachten mij sinds mijn aankomst bezig. Stel je nou toch voor dat Griekenland straks het Madurodam van Europa wordt. Zit ik dan een volgende keer noodgedwongen aan een broodje bal in plaats van de overheerlijke keftedes? En zit in die bal dan besmet paardenvlees van Nederlandse boerenslimme handelaren in plaats van ambachtelijke koe?

Vroeger had ik altijd al een hekel aan het beste jongetje van de klas en hier op het zonovergoten terras komt die ergernis als borrelend maagzuur weer naar boven. Hier gaan elke ochtend legio priveboten de zee op om arme vluchtelingen te redden; hier werken de ondernemers van april tot november klokje rond om de toeristen een blije zomer te gunnen; hier genieten de mensen van het leven en elkaar. Hier verdienen ze het om hun authenticiteit te behouden. Hier verdienen ze geen vinger maar een helpende hand.

Hypotheek

Ik wist nauwelijks hoe je het schreef. 18 jaar geleden had dat woord voor mij ook niet de aantrekkingskracht om een carriere in de financiele dienstverlening te starten. Het had net zo goed een koekjesfabriek kunnen zijn. Ik kreeg een leuke klus aangeboden, was zwanger en daarom door mijn toemalige werkgever de laan uit gestuurd. Dus stroopte ik mijn mouwen op en greep de kans.

Gaandeweg de jaren leerde ik steeds meer over hypotheken, maar ook hoe de financiële wereld reilde en zeilde. Na mijn opgedane werkervaring in vier andere branches vond ik deze wereld een bijzondere. Niet voor niets werd de naam van één van mijn holdings AIW Capital. Geen ingewikkelde corporate finance term maar simpelweg de afkorting voor Alice in Wonderland. Zo voelde ik me vaak. En nog wel eens. Daarom moet ik soms glimlachen wanneer ik door menigeen gezien wordt als expert. Ik bezit geen enkel financieel diploma, noch hangt er een ingelijst WFT-papiertje aan de muur. De huidige PE-stress gaat volledig aan mij voorbij. Gelukkig!

En nu ben ik door een uitgever gevraagd om als vrouw, inmiddels gepokt en gemazeld in de wereld van het geld, een boek te schrijven over financieel zelfbewustzijn. Is het aanmatigend om zonder de nodige studietitels op mijn naam 80.000 woorden aan het papier toe te vertrouwen waarvan anderen kunnen leren? De financiële branche floreert vaak door het onderwerp maar zo moeilijk mogelijk te maken. Hoe ingewikkelder, hoe minder je hoeft uit te leggen.
Mijn ervaring is dat het veelal een kwestie is van logisch nadenken en doen. Dat deel ik graag. Dus het aanbod is een mooie kans. En een hele eer. Zal ik het lef hebben om ook deze kans weer te grijpen?