Villa Kakelbont

Mistflarden dwarrelen als wilde wieven over het dauwnatte gras. In de verte, onttrokken aan het zicht, horen we het doordringende geloei van een Gallowaykalf. In de mist is ze de bescherming van haar moeder kwijtgeraakt. Een kudde reeën springt schichtig over het veld. Oren gespitst, wakend voor naderend gevaar. Gevaar? Dreigt er gevaar? Wij weten het niet. Als mens te ver afgedreven van het instinct van de natuur.

Innig omarmd staren wij naar het natuurtafereel. Af en toe een gevallen beukennoot oprapend. We voelen iets duisters. Er hangt iets in de lucht. Op de achtergrond kleppert een deur. Eerst zachtjes, steeds luider. In een bepaalde cadans. Als je goed luistert, lijken het wel voetstappen over het bemoste grind. Langzaam draaien we ons om. De villa doemt op.  

De gordijnen zijn gesloten. Waterdruppels vallen gestaag vanuit de lekke goten. Met een zorgelijke blik kijken wij naar boven. De lekkage wordt steeds serieuzer. We spieden rond. Het huis zucht onder haar verwaarlozing. De eens zo pronte dame is verworden tot een vuilnisbelt. Kapot servies ontsiert de eens zo weelderig vormgegeven borders. Plastic buizen steken uit het eens zo mooie gazon. De eens zo deftige vlaggenmast ligt zielloos tussen het onkruid. We zien het net op tijd. Bijna struikelend over haar betonnen klompvoet.  

Wrijvend over onze geblesseerde tenen mijmeren wij over de roerige historie van de statige villa, gevestigd op robuust fundament. Het was geen pais en vree op Plantage Willem III. In de kille herfstzon voel je de misère van wijlen Kruidenier. Als trotse landheer trok hij drie prachtige herenhuizen op uit het landschap. Hij betrok zelf de mooiste. De middelste, geflankeerd door de twee lager gelegen secondanten. Almachtig vanaf de terp uitkijkend over uiterwaarden en voormalig welvarende takaksvelden genoot hij van zijn rijk bezit. Een fiere man, onze Kruidenier. Met lede ogen moest hij aanzien dat zijn idyllische buitenplaats alras werd ingenomen door de barbaren van het 19e regiment infanterie. Hij kwam het nooit te boven. Zijn zelf gedolven familiegrafkelder betrad hij onvermoed als eerste.

Gezeten op het omgevallen tuinmuurtje zwaaien wij schuchter naar de buurvrouw, die onze bewegingen rondom het huis vanachter het keukengordijn nieuwsgierig aanschouwt.  Voor haar hét teken tot contact. Snel schiet zij haar geruite toffels aan en komt naar buiten. Maar al te bereid de nalatenschap van haar gewezen buurman te openbaren. Gedreven door hetzelfde gesternte, maar in het hart toch water en vuur. Verhalen borrelen op als vette kikkers uit het groene zwembad. Schielijk kijkt zij om zich heen. Buurman Gerrit met zijn zwarte colonne is vertrokken. Geen repressailles meer mogelijk. Ze durft het nu. We horen het gelaten aan. Het is nog altijd geen pais en vree aan de Plantage Willem III.

Zenuwachtig giechelend verlaten wij het perceel. De buurvrouw handenwrijvend achterlatend. De straat op, hond aan de lijn. We zijn toe aan een frisse wandeling door het mooie gebied. Muizenissen uit het hoofd laten verdwijnen. We kijken nog eens om. Daar staat ze; ons toekomstig Villa Kakelbont. Een grote barst in de ruit van één van de bovengelegen slaapkamers. Het lijkt alsof ze naar ons knipoogt. Vol vertrouwen.

Augustus 2013

Zondagochtend. Kwart voor negen. De statige villa richt zich op uit de nachtelijke veren. Een koperen gloed vlijt zich over het gazon. Ze lijkt te blinken in de zomerzon.Columbus en Christoffel schuimen met hun donzige lijven de voortuin af naar het malste stukje gazon. Henk, de schonkige merrie hinnikt ter begroeting naar haar wilde soortgenoten aan de andere kant van het hek. De kleine kitten vangt parmantig springend insecten uit het gras.

De shutters worden open gerold. De deuren vliegen open. De pas afgelakte kozijnen verblinden de vroege wandelaars van het natuurgebied. Vier blonde jong volwassenen komen kakelend naar buiten. Het ontbijtservies wordt uitgestald. Het is zondag. De dames maken het ontbijt.

Nog altijd innig omarmd komen wij naar beneden. Genietend van de vroege meidendrukte om ons heen. Ongemerkt glijden onze handen langs de leuning. De vingers stiekempjes op zoek naar een kleine onvolkomenheid. Geen barst, geen druiper. Strak in de lak. Trots lopen we verder naar beneden. Met lichte irritatie knippen wij het nog brandende licht uit van de majestueuze kroonluchter in de hal. De dames waren zeker laat thuis vannacht. Een vlugge blik uit het zijraam bevestigt dat vermoeden; kris kras de scooters geparkeerd op het naastgelegen terras.

Zwoele lucht van warm afgebakken broodjes prikkelt onze neusgaten. De ergernis is vergeten. We naderen de veranda. Kop thee in de hand. De buitentafel vol met lekkernijen. Zelfs de eerste, zelf gekweekte, aardbeien uit de opgefriste plantenkas.

Joelende meiden in trendy badkleding schieten langs ons heen. Te mooi weer om langer te zitten. Gierend van de lach springen ze het schone water in. We kijken elkaar tevreden aan. Het dampende groene moeras van het vorig najaar is ingeruild voor een juweeltje van een zwemvijver. Het is toch maar mooi gelukt! Snel zelf een duik nemen in het verfrissende water. Niet lang daarna wordt namelijk het eerste bezoek alweer verwacht.

Schril toeterend komt een oude versleten bestelwagen het terrein opgereden. Een beetje sleets, maar wel zo’n prachtige oude klassieker uit de jaren ’30. Zwart metallic, een beetje sinister. Pruttelend uitlaatgassen boerend. Nog niet echt eco-proof. Nieuwsgierig slaan wij vluchtig een badhanddoek om en komen dichterbij. De pruttelbak lijkt inmiddels door zijn eigen uitlaatnevel omgeven. Mistig tafereel. Amper zien we de opdruk aan de zijkant van de auto. Bloemsierkunst H.J. Kruidenier en Zonen. Een bloemisterij? Op Zondag? De buurvrouw kijkt toe vanachter haar strak gesteven keukengordijnen. Besmuikt zien wij nog net haar hoofd afkeurend schudden terwijl zij zich afwendt van het raam.

Kwiek stapt de jongeman uit de zwarte klassieke wagen. Een bontgekleurd boeket in de hand. “Onderweg naar de Oldtimer-beurs moest ik hier toch langs, dus ik breng het nu maar even”: zegt hij en duwt de mooie ruiker in onze natte handen. “Met dank voor de goede zorgen”, roept hij nog even over zijn schouder voordat hij weer instapt en wegtuft van de Plantage Willem III.

Verbouwereerd blijven wij achter en kijken hem na. Niks besteld en ook geen kaartje van de afzender. We halen de schouders op. Geen idee wat dit te betekenen heeft. Maar de bloemen zijn prachtig. Dus gauw naar huis. Op zoek naar een vaas.

We lopen toch ietwat vertwijfeld naar binnen. De grote bos bloemen in de linkerhand. Een verdwaalde druppel belandt zo maar op het voorhoofd. Verrassing van een badende flierefluiter op het glimmende pannendak. We kijken omhoog. Naar de blinkende ramen van de bovenslaapkamers. Het dubbelglas zit er mooi in. Het zonlicht weerkaatst  in de ramen. Het huis knipoogt ons tegemoet. Alweer! Dankbaar en opgetogen dit keer. Triomfantelijk knipogen wij blijmoedig terug. Het leven is goed; eindelijk pais en vree aan de Plantage Willem III.