Lief dagboek (uit “De jongen van hiernaast”)

Het is een tijd geleden dat ik schreef. De afgelopen weken kolken de gedachten als een woedende zee door mijn hoofd en had ik geen rust om ze aan het papier toe te vertrouwen. Vertrouwen. Wat moet ik eigenlijk met dat woord. Kan ik Mark nog vertrouwen? Zijn liefde voor mij? Ik weet het niet. Ik weet niet eens of ik mijzelf nog wel kan vertrouwen. Soms heb ik het gevoel dat ik langzaam paranoia wordt. Ik ben mijzelf niet meer. Mark zegt dat. En misschien heeft hij wel gelijk. Ik maak met iedereen ruzie. Zelfs mijn meiden laten me nu links liggen. Valerie zei gisteren nog dat ik op moet houden met mijn hysterische gedrag. “Je ziet spoken” zei ze, “en die bestaan niet”. Nee, dat klopt. Vroeger was ik een nuchter mens, maar sinds ik hier woon…

Ik voel me paniekerig en ik ben zo ontzettend moe. Zo moe! Elke ochtend word ik geradbraakt wakker alsof de kudde Galloway koeien mij gebruikt heeft als oversteekplaats naar hun drinkplaats. Als ik terug blader lees ik hoe gelukkig ik was onze eerste zomer. Hoe fijn was het om, na ons klusjaar, samen te genieten, lekker knus op onze heerlijke loungebank uitkijkend over de goud gekleurde steppen van Plantage Willem III. De zwoele zomerwind kietelend door onze haren en een koel glas rosé in de hand. Uren konden wij kijken naar de herten die elke avond vlak voor ons hek kwartier maakten. Ongestoord, hun kontjes naar ons toegekeerd. Soms leek het wel alsof ze naar ons zwaaiden, met hun  witte pluimstaartjes vrolijk in de lucht. Of naar het Galloway-jong, dat voorjaar geboren, en pakkertje speelde met Dani. Hoe hard ze ook blafte, dat gekke kalf bleef haar lekker uitdagen. Zo grappig!

Ik kan wel huilen als ik eraan denk dat dit nog geen twee jaar geleden is. Tuurlijk weet ik dat er geen spoken bestaan. En dat ik haar Johanna noem, was in het begin gewoon maar een grap. Ik weet zeker dat Mark de eerste was die dat getik hoorde elke ochtend rond de klok van vier. Later kwam er ook het zuchten bij. Mark zegt nu dat hij dat niet meer weet, maar hoe kan hij dat nu vergeten zijn? De meiden beweren ook dat ze het nog nooit gehoord hebben. Tja, zo slim is ie wel! Gisternacht, toen Mark weer eens voor zijn werk in Brussel zat, hoorde ik het weer. Nog sterker, ik voelde de aanwezigheid in onze slaapkamer. En tuurlijk is het Johanna niet. Het is hij van hiernaast. Vanmorgen wist ik het zeker toen hij op de fiets wegreed. Keurig zijn schooltas achterop. Hij keek nog snel achterom toen hij dacht dat ik hem niet zag. Maar ik zag het wel. Die triomfantelijke blik. Ik kan er niks mee. De afgelopen maanden heb ik al zo vaak geprobeerd Mark te overtuigen van mijn vermoedens. Eerst lachte hij het nog weg, maar de laatste tijd raakt hij steeds meer geirriteerd wanneer ik weer eens beweer dat Bart ons uit elkaar wil drijven.